
Rommelen in het schuurtje
recensie: Remco Ekkers
Sinds enige tijd moeten drogisten hun klanten uitleggen hoe zij hun produkten moeten gebruiken; in elk geval moeten zij vragen of de klant op de hoogte is van het gebruik. Stel dat je condooms koopt of aambeienzalf. Het meisje dat je helpt vraagt:’Weet u hoe u het produkt kunt gebruiken?’ Ik stel me voor dat de Vieze Man van Kees van Kooten likkebaardend zegt: ‘Nee, kunt u het even voordoen?’
Aan dat personage moet ik soms denken als ik lees in Vuil goed, de nieuwe verzamelbundel van Rob Schouten., Een keuze uit al zijn gedichten. Schouten heeft zijn sporen verdiend in gedichtenland, als dichter, als criticus, als poëzieprof.
Het begon met het schrijven natuurlijk: op tweeëntwintigjarige leeftijd kreeg hij een positief briefje van Sontrop, redacteur van Maatstaf. Vijfendertig jaar en tien dichtbundels later gaat de dichter kijken wat mag blijven. Van de eerste bundels sneuvelt nogal wat, maar overigens valt het mee.
Schouten vermeldt in zijn voorwoord dat hij ook negatief commentaar kreeg: de gedichten waren korzelig, er steeg ‘een niet altijd frisse beddenlucht’ uit op, de dichter was een solipsist. Schouten beschouwde dat als compliment: de gedichten waren van en hoorden bij hem. Het is ‘vuil goed’, maar wel van een erudiet. Het motto van Gedichten I is: ‘Tot quant es gela, mas ieu non puesc frezir (qu 'Amors novela mi fa.l cor reverdir) (Arnaut Daniel) (Het vriest om me heen, maar ik word niet koud: een nieuwe liefde maakt me warm.)
Het derde gedicht, ‘Zonnewende’ begint zo: ‘Van alles wat ik vroeger wist, / van het kale kutje van mijn zus in bad / tot hoeveel postzegels ‘k van China had, / was ik de specialist.// Nooit heb ik mij vergist / inde werk’lijkheid die ik bezat / en had ik een pak slaag gehad / dan werd er nog die nacht in bed gepist. (…) In de winkel waar ik mijn tubes Clearasil ga halen / vraagt men u of het een cadeautje is. / Nee! zeg ik hinderlijk hard; / noem mij geen u, / ik doe het ook sinds lang nog steeds niet.’
Merkwaardig is het vrije metrum, jambisch, maar met allerlei antimetrieën, de elisie bij ‘werk’lijkheid’ en de ritmische verstoring aan het slot (‘nog steeds niet’).
Schouten was altijd opmerkelijk vrijmoedig in de autobiografische elementen: hier zijn nieuwsgierigheid naar het andere geslacht, zijn verzameldrift, zijn wraakzucht, zijn religieuze opvoeding, zijn brutaliteit, zijn puisterigheid, zijn afkeer van autoriteit. Zelfkennis is een deugd:’Op school was ik geen al te vlotte prater, / Er school in mij een introverte solipsist; / Ik wist dat ik als enige iets werk’lijk wist / En viste liefst in ‘t allerdiepste water.’
Peter de Boer gaf een rake kenschets : 'Schouten is in zekere zin een experimentele moralist, iemand die de beschaving, die hij hoogschat, voortdurend confronteert met de 'dierlijke' zelfkant van de maatschappij. Hij weet dat ironisch, cynisch of sarcastisch te brengen in gedichten die, als het een beetje meezit, ook nog eens bloedmooi of interessant zijn. Of een beetje schunnig en smerig ook: 'net of de allerergste prut / zo het afvalputje in gorgelt'. Hij staat werkelijk voor de tegenstellingen die hij in poeticis belichaamt. En zijn zelfspot is daarbij misschien nog wel zijn sterkste wapen'. Deze kenschets past op de nu verzamelde gedichten.
Ouder geworden, realiseert hij zich dat allerlei ontwikkelingen zich voordoen en dat ieder individu vanzelf ouderwets wordt, maar sommige dingen zijn van alle tijden: ‘Maar Mr. Samuel Pepys stond met z’n vingers / in Debs snee toen zijn vrouw hem betrapte. / Dat houden wij er hopelijk toch in. / Het zou me spijten als dat overging.’
Het is niet overgegaan, blijkt uit het actuele nieuws.
Dit gedicht zou, afgezien van de genoemde dochters en ‘de buientap’ geschreven kunnen zijn toen hij als dichter begon, ook al hadden de gedichten toen een consequent eindrijm.
Mensen stellen niet veel voor, laten we wel wezen. We kunnen het soms goed verbergen, zoals de puist op de reet van de non, maar al met al prutsen we wat aan. Aandoenlijk is hij, tussen engel en beest. Met die zogenaamde god is het niet veel beter. De schepping lijkt toch vooral een mislukking, al zijn er sublieme momenten.
Ik bewonder je werk
Onweer, hagel, windstoten,
onzeker, ingewikkeld, of je
niet weet wat ervan komen gaat,
geplant maar wat ook weer?
Maar nooit dat ene, alles altijd vlottend,
een verwaarloosde tuin,
de bewoners zijn allang vertrokken
maar jij rommelt nog in het schuurtje.
Ja, sla de ogen op, het mag er zijn,
mag onbeholpen rondspoken
bij enkelingen die het ook niet weten.
Iets anders: en wat vind je van het mijne?
Toch insgelijks, bid ik vurig,
dat je er niet goed vat op krijgt, bitte.
Dat paradijs… de bewoners zijn vertrokken; de grote tuinman rommelt wat in het schuurtje. Er zijn nog wat mensen die in hem geloven, maar zij weten het ook niet. De dichter, ook een soort schepper lijkt op hem: hij is niettemin een beetje trots op wat hij gemaakt heeft. Het is allemaal niet eenduidig, des te beter. Het is vuil, maar het is ook goed, zoals het is. Misschien wordt het nog wel eens wat.
Vuil goed, Een keuze uit al zijn gedichten,
Rob Schouten
De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen, 2011.
ISBN 9789029573757
221 pp.
€ 21,95

Bim bam berencadeau
Jan Van Coillie
Het gebeurt niet vaak dat een dichtbundel voor kinderen vertaald wordt, en al helemaal niet uit het Zweeds. Voor deze bundel selecteerde en illustreerde Marit Törnqvist gedichten van Juija Wieslander, internationaal vooral bekend om haar boeken over de koe Mama Muh. Ze schreef echter ook versjes en liedjes, die in Zweden via de radio erg populair werden.
Een klein meisje op een grote, rode fiets in een knalgeel korenveld. De omslag van Jij en ik en mijn rode fiets trekt aan als de zon. Het eerste gedicht, ‘Hoi weer’, gooit meteen alle ramen open. Blad na blad voeren verzen en tekeningen je mee in de leef- en belevingswereld van een kleuter. Die wereld is doorgaans knus en dichtbij, met een centrale plaats voor de knuffels, mama en papa, broer en zus. Blije gevoelens primeren, zoals in het titelvers. Er wordt veel gedanst, gesprongen en gezongen in de bundel. Maar er worden ook andere gevoelens opgeroepen. Je leest ze vooral tussen de lijnen, zodat je ze zelf persoonlijk kunt inkleuren: het gevoel dat papa en mama alleen van jou zijn, de verveling als je ziek bent, de trots als de zelfgemaakte hut af is, meteen gevolgd door de vraag ‘wat nu?’, de spanning en de schrik bij een onbekende man of wanneer je luistert naar een eng verhaal, de koppigheid als je vindt dat de ander de eerste stap moet zetten…
Telkens opnieuw weet de illustratrice die gevoelens treffend te verbeelden met een indrukwekkende beheersing van kleur, compositie en perspectief. De blije gevoelens bij papa en mama, op de fiets of met de knuffel dicht bij je krijgen vorm in een explosie van geel. Daarmee contrasteren het zwart en donkerbruin van de nacht en de verhalen vol geheimen, het grijs van de verveling of het blauw van de lucht waarin je volledig kunt opgaan. De compositie van het meisje op de balk waarbij alle knuffels toekijken, is perfect in balans. En door het vogelperspectief gaat je aandacht nog meer naar het felverlichte raam in de donkere nacht.
In een interview stelde Juija Wieslander dat ze zich vooral liet inspireren door het spel van kleine kinderen die zichzelf en de wereld om zich heen ontdekken. Ze kunnen in weinig woorden heel veel uitdrukken. Deze in essentie poëtische houding probeert de dichteres speels en compact onder woorden te brengen, en met haar de vertalers Hans en Monique Hagen. Meestal levert dit aantrekkelijke poëzie op, met een vleugje magie of een boeiende combinatie van helderheid en geheim. In slechts een paar gedichten ontbreekt de poëtische vonk. ‘Vergeten’, ‘Niet bij jou / Niet bij mij’ en ‘Springtouwlied’ blijven te veel steken in herkenbare observaties, dialogen of losse sprongen. Ze missen het geknetter tussen de woorden dat je anders doet kijken naar de dingen.
Alle gedichten drijven op herhalingen. In ‘Ziek’ versterken ze de verveling en het verlangen: ‘ik wou dat ik weer beter was / ik wou dat ik wist wat ik wou vandaag / ik wou dat ik iemand anders was.’ In het titelvers leggen ze extra focus op de mooie rode fiets, het blije gevoel en de verbondenheid. In ‘De zwarte grotten’ roepen ze extra spanning op: ‘’s morgens zie je / woeste sporen in de witte sneeuw / bij de grotten / de zwarte grotten’. Ook de alliteraties en bijzondere combinaties dragen bij tot de sfeer in dit gedicht. En dat gebeurt vaker. In ‘Geheimzinnige man’ zorgen de klanken vanaf de eerste regels voor spanning: ‘ik kruip en sluip / zo zacht als ik kan / ssst… geheimzinnige man’. De spanning wordt opgevoerd door vragen en herhalingen: ‘wat doet ie daar / wat doet die dan / die geheimzinnig man.’
Vaker leven dichter en vertalers zich uit in vrolijk klankspel met speelse alliteraties, klinkerrijmen, neologismen, klanknabootsingen en een huppelend ritme. In ‘Bim Bam Balans’ zijn klank en ritme helemaal in balans, als in een toverspreuk. In ‘Flodderie Fladderie Flop’ ‘hoor’ je de was flapperen aan de lijn. ‘Springtouwlied’ nodigt uit om te springen en ‘Als de druppels vallen’ om te rappen.
Jij en ik en mijn rode fietsis een bijzondere bundel. Beelden en gedichten werken magisch samen, waardoor ze jong en oud een intense, poëtische ervaring kunnen bezorgen.
Jij en ik en mijn rode fiets
Marit Törnqvist
Hans en Monique Hagen (vert.)
Amsterdam, Querido, 2010
ISBN 978 90 451 1130 8
56 p
€ 13,95
Ook als luisterboek verschenen bij Rubinstein

Een doos poëziepralines
Jan Van Coillie
Na het circus de chocola. Het thema van dit tweede ‘poëziespektakel’ dat Ted van Lieshout opdient, heeft alles te maken met de Nederlandse kinderboekenweek die in het teken stond van eten. Van Lieshout verzocht Nederlandse en Vlaamse dichters om nieuwe gedichten in te zenden, bij voorkeur over eten. Niet minder dan zeventig dichters zegden toe. Bekende namen als Eva Gerlach, Hans Hagen, Elma van Haren, Sjoerd Kuyper, Edward van de Vendel, Daniël Billiet, André Sollie en Riet Wille, maar ook minder bekende of debutanten als Yildiz Ertan, Diet Groothuis, Florian Kullberg of Simon van der Geest. Bijzonder is ook dat dichters die tot nu toe enkel voor volwassenen schreven, in het project stapten. Onder hen Jef Aerts, Rogi Wieg, Peter Holvoet-Hanssen, Silvie Marie en Eva Cox. En er zijn nog andere bijzondere medewerkers zoals Rob Chrispijn, bekend als schrijver van liedjesteksten voor Stef Bos en Herman van Veen. Ook onder de 25 illustratoren vullen bekende en minder bekende namen elkaar aan: Gerda Dendooven, Sebastiaan Van Doninck, Ingrid Godon, Wim Hofman, Jan Jutte, Klaas Verplancke, Stefanie De Graef, Chuck Groenink, Sarah Verroken en vele anderen.
In een tijd waarin het almaar moeilijker wordt om een dichtbundel gepubliceerd te krijgen, biedt dit concept de kans aan gevestigd en nieuw talent om een ruim publiek te bereiken. Tegelijk houdt het een gevaar in. Als de reeks een succes blijkt, zou dit uitgevers er wel eens toe kunnen bewegen om eerder daarin te investeren dan in losse dichtbundels.
In elk geval heeft de opzet van de bundel als pluspunten dat hij variatie en verrassing biedt. De ingezonden gedichten zijn bijzonder gevarieerd, van korte sfeerbeeldjes in de traditie van de haiku over nonsensverzen en beeldgedichten tot langere, verhalende poëzie in parlandostijl; van metrische, rijmende verzen tot gedichten in vrije versvorm.
Ed Franck zorgt voor een berijmd, absurd vers met een bittere nasmaak onder de titel ‘Kalfsvlees op mijn bord’. Tiko in het gelijknamige gedicht van Hanz Mirck vertelt met grote authenticiteit over het land waar hij geboren is, ‘groot en vol niets’. Elma van Harens ‘Versje van de dood’ brengt een fascinerend verhaal dat geïnspireerd lijkt op oude bakerrijmen. ‘Twee paardjes’ van Peggy Verzett mengt geheim, klank en sfeer, wat mag blijken uit de slotregels:
Een vangrail is zwanger van een boomerang.
We kijken elkaar aan en zien alles gelijktijdig.
‘Verbindingen’ laat Bas Rompa zien op zijn best: de vogels in zijn gedicht krijgen vleugels door de poëtische taal. Hoogtepunten zijn ook ‘Dun’ van Gerda de Preter, die in een tot het uiterste uitgedunde taal schrijft over de anorexia van zus, of ‘Na de bui’ van Frank van Oosterhout, waarin de woorden zwanger van sfeer zijn als regenwolken.
Ted van Lieshout zorgt voor variatie door tussen de gedichten enkele intermezzo’s te serveren: een interview met de jongste dichter en tekenaar, recepten voor gedichten, bedacht door verscheidene dichters en een overzicht van wat dichters bereiden als ze gasten ontvangen.
De bundel bevat geen duidelijk gescheiden afdelingen, maar Van Lieshout groepeerde wel gedichten die door hun thema bij elkaar horen, doorgaans op dubbele pagina’s. Dit levert vaak verrassende combinaties op, of confrontaties van heel verschillende gedichten over vissen, brood, jassen, kleuren, bomen, de zee, dieren of broers en zussen. Meteen wordt duidelijk dat de gedichten lang niet allemaal over eten gaan.
Een vergelijking met de bloemlezing Fluit zoals je bent, ongeveer gelijktijdig verschenen en samengesteld door Edward van de Vendel, dringt zich op. Beide zijn thematische bloemlezingen, al liggen eten en dieren ver uiteen. Het concept is echter grondig verschillend. Van de Vendel selecteerde uit bestaande bundels, Van Lieshout nam (op enkele uitzonderingen na) nieuwe gedichten op. Zijn opzet is zonder twijfel origineler en gevarieerder, maar heeft ook zijn keerzijde. De kwaliteit van gedichten op verzoek is niet verzekerd en verschilt dan ook sterk in het boek. Een thema als eten leent zich duidelijk niet vanzelf tot goede poëzie, maar dat geldt ook voor andere onderwerpen. ‘Berichtjes’ van Rian Visser bijvoorbeeld klinkt melig door de hapklare rijmen:
Er zat een briefje
in mijn jas
waarop stond
dat jij stapel
op me was
en iemand
met jouw naam
vroeg op mijn msn
wil je met me gaan?
‘Fietsvogel Fred’ van Jaap Robben vertrekt van een leuke vondst, maar rammelt op de duur door gezochte rijmen, vlakke regels en ritmische breuken:
Tot mijn vader hem laat schrikken.
Als hij met een tang aan de moeren
van mijn wiel gaat zitten wrikken.
Uiteindelijk klinkt mijn vader trots,
‘Zo, die fiets die piept niet langer.’
‘BMI’ van Pat Donnez blijft steken in een banale dialoog op rijm, met een geforceerd grappig slot: ‘Enne… hij voelt zich nog gezond? / Een beetje rond misschien, maar dat mag van zijn BMI. / Juist ja, zolang hij maar geniet van zijn carrosserie.’
Waar Ik wil een naam van chocola het wint van Fluit zoals je bent op het vlak van originaliteit en variatie, verliest de bundel het wat de vormgeving betreft. Het boek heeft een slappe kaft en is gedrukt op goedkoop papier. De prijs is hierdoor bijzonder democratisch, maar het boek ziet er veel minder uitnodigend uit of bestand tegen de tijd. Over smaken valt niet te twisten, maar de mosgroene steunkleur binnenin wekt mijn appetijt in elk geval niet op. De variatie van de 25 illustratoren heeft als nadeel dat de bundel veel minder een geheel oogt dan Fluit zoals je bent. Ook daardoor moet je het boek mondjesmaat verorberen, er af en toe een gedicht uit nemen als uit een doos pralines, wil je geen indigestie krijgen. Als je deze bloemlezing zo benadert, is hij zonder meer een smaakmakende bundel voor fijnproevers.
Ted van Lieshout (samenst.)
Ik wil een naam van chocola
Querido’s poëziespektakel 2
Querido, Amsterdam, 2009
94 p./ € 14,95

Odysseus in kwajongensland
Jan Van Coillie
Dissus is een watje. Hij mag mee naar het zwembad, maar alleen als hij niet weer gaat janken. En jawel, de Grote Jongens hebben het meteen op hem gemunt: ‘Wat een niemand, wat een spriet.’ Even later is het oorlog en trekt Dissus zich terug op de wc. Daar, ineengedoken en met ‘een plakzwembroek op zijn enkels’ denkt Dissus na over wat hij echt wil. ‘De held van het verhaal’ wil hij zijn, een verhaal ‘waarin we vet verdwalen en heel ver en vrij / en vol gevaar, onderweg sneuvelen er een paar en iedereen huilen / behalve ik.’
Zo geschiedt het. Nadat hun bus is weggewaaid, belanden Dissus en zijn vrienden in een wild avontuur waarin ze met steeds minder overblijven. Boer Eenoog blijkt een menseneter die Jeffrey oppeuzelt. Joeri wordt gepakt door de kraanmachine ‘Skylla 2000’. Michael wordt het slachtoffer van de woede van de Windman en zo gaat het maar door tot ze nog maar met vier de tocht op een vlot overleven. Terug thuis is alles anders. Zijn ouders zijn hem vergeten en een reusachtige hond heeft zijn plaats ingenomen. Gelukkig herkent zijn zus hem en krijgt hij hulp van Kirke, met wie hij tijdens zijn tocht een bijzondere band had. Toch is het vooral dankzij zijn moed en slimheid dat hij zowel de hond als de Grote Jongens verslaat.
Dissus is een typische postmoderne bewerking van de klassieke Odysseus, vol verwijzingen naar het origineel, maar ook met parodiërende elementen. De Grote Jongens in het zwembad zijn de Trojanen. Boer Eenoog refereert aan de cycloop Polyphemos, de Windman aan Aeolus, Zonnema aan de zonnegod Helios en Kirke aan haar naamgenote. De volgorde van het origineel is dooreen gegooid en sommige passages zijn weggevallen, zoals de belevenissen bij Kalypso of bij de Fanaken. Ook het tweede deel na de thuiskomst is grondig gewijzigd. Dissus’ moeder neemt de rol van Penelope over, maar kleurt die helemaal anders in. Waar Odysseus na twintig jaar omzwervingen met Penelope naar bed gaat, brengt zijn moeder Dissus naar bed. Wanneer ze hem een nachtzoen wil geven, wijst hij haar echter af. Van der Geest introduceert ook de zus van Dissus, die gedeeltelijk de rol van de godin Athena overneemt: zij vertelt Dissus wat er tijdens zijn afwezigheid gebeurd is. Kirke vertolkt een ander deel van Athena: zij zorgt voor Dissus’ gedaanteverwisseling. In dit fragment blijkt de parodiërende aanpak het sterkst: Kirke zit verborgen in een glasbak en tovert Dissus, die wraak wil nemen op zijn reusachtige naamgenoot, om tot een onooglijke straathondje. Illustrator Jan Jutte tekent hem graatmager en grijs.
Van der Geest heeft op de eerste plaats het klassieke verhaal overgebracht naar de wereld van kinderen van vandaag. De zee-engte van Skylla en Charibdis wordt een kuil met moderne graafmachines. Dissus en zijn vrienden rijden voorbij de sirenen op de fiets en in plaats van bijenwas hebben ze kauwgom in hun oren. Kirke biedt Dissus cola aan. De onderwereld is hier een bunker. En thuis wachten hem vuilnisemmers, blikjes, glasbakken en auto’s. Ook hierin steekt humor, maar alleen voor wie de ongerijmdheid met het originele verhaal ziet. Dit roept de vraag op in hoeverre jonge lezers die niet vertrouwd zijn met de oorspronkelijke Odysseus dit verhaal zullen kunnen smaken. Zullen ze voldoende aangesproken worden door de absurde belevenissen en de taalhumor, zonder afgeschrikt te worden door het poëtisch proza?
Wie als jonge lezer meegesleept wordt door het verhaal, vindt in Dissus ook het verhaal van zichzelf, een verhaal van groeien en de moeite die dat kost, een verhaal over zichzelf verliezen en terugvinden. Bij die zoektocht speelt de naam een cruciale rol. In alle culturen bepaalt de naam de identiteit, door je naam word je ‘iemand’. In de zwembadscène uit de proloog is Dissus ‘een niemand’, hij verzuipt bijna en trekt zich laf terug op de wc. Hij probeert er uit te maken wat hij echt wil. In het vreselijke avontuur dat hij vervolgens (in zijn verbeelding?) beleeft, is hij de held: slim, rustig en zelfverzekerd, al kent ook hij momenten van wanhoop en vertwijfeling. De meest existentiële twijfel komt na zijn thuiskomst, als hij te weten komt dat een hond zijn plaats innam: ‘Hij heeft mijn naam, mijn hut, mijn huis / wie ben ik dan, / en ben ik thuis?’ Hij zint op wraak, maar pas als hij de Grote Jongens zijn zus ziet pesten, springt hij letterlijk en figuurlijk uit zijn (honden)vel en komt het keerpunt: ‘Nu komt het erop aan / Nu moet ik laten zien wie ik ben / en wie ik ben geworden.’ Als zijn ouders hem eindelijk weer (h)erkennen en zijn moeder hem een nachtzoen wil geven, stuurt hij haar weg, ‘wat denkt ze wel’. Misschien is hij boos op haar, maar zijn gedrag typeert ook zijn groei, die meer afstand van thuis impliceert. In de slotpassage voelt hij die groei aan de lijve: hij draagt de zee altijd met zich mee, net als zijn verdwenen vrienden. Zo loopt hij door het leven:
Alleen, maar nooit alleen
En niemand die me niemand noemt
of een spriet
Dissus heet ik
da’s mijn naam
Zou je moeten weten.
Van der Geest vertelt zijn verhaal in een krachtig poëtisch proza met een bezwerend ritme, waarbij herhalingen, eindrijmen en andere klankherhalingen werken als een golfslag in een zee van woorden. Zijn taal is niet alleen rijk aan klanken, maar ook aan beelden. De actualisering van het klassieke verhaal dringt door tot in die beeldspraak. Dissus’ onbegrip omdat zijn ouders hem vergeten zijn, drukt hij als volgt uit: ‘Alsof hun harddisk / is gecrasht / en ik, ik ben / gewist’. Het opvallendst echter is de combinatie van poëtisch proza met jongerentaal: gedragenheid en lichtheid in een precair evenwicht. Beelden worden afgewisseld met stopwoorden en uitroepen uit de spreektaal: ‘Haar ogen schieten heen en weer als muizen in te kleine kooitjes / Zo staat ze daar / met bibberende knietjes / (Jemig hé, dat zie ‘k nu pas: / ze heeft al kleine tietjes)’. De jongens blijken ook een voorkeur te hebben voor ‘poepen’, ‘scheten laten’ (met tegenwind), en ‘schijten’. De passage waarin de monsterhond Dissus als straathond het diepste vernedert door op hem te plassen, wordt door Jan Jutte niets verhullend verbeeld. Spanning, emotie en humor ineen.
Na de prozabewerkingen van de Odysseus door Evert Hartman, Imme Dros en Michael De Cock is de versie van Van der Geest een originele, poëtische variant. Dissus is magisch en meeslepend als een epos en tegelijk grappig en brutaal als een klassiek jongensverhaal.
Simon van der Geest
Dissus
Querido, Amsterdam, 2010
128 p./ € 13,95

Hier even tekenen, alstublieft
Fleur De Meyer
Debuutbundels hebben altijd een verrassing in petto voor de lezer. Op zijn minst maak je kennis met bespiegelingen en poëtische taaluitingen van een nieuwkomer op het poëtische front.
Na een meanderende loopbaan – hij werkte onder meer als redacteur, vertaler, postbode en kok – brengt Jan Vissers zijn debuutbundel Vanuit het vacuüm uit bij uitgeverij Voetnoot. Vanuit het vacuüm is alvast een toegankelijke dichtbundel. Jan Vissers houdt zich ver van loodzware hermetische constructies en dure woorden. Zijn poëtische taal is onopgesmukt en eerlijk. Hij richt zich hoofdzakelijk op af en toe licht absurdistische observaties met een pijnlijke ondertoon. Kortom, de Weltschmerz is niet ver af en dat verklaart meteen ook de keuze voor de nogal donkere en sobere opmaak van de dichtbundel en de keuze van de titel. Jan Vissers trekt zich immers terug in zijn ‘vacuüm’ om daar zijn poëtische bespiegelingen neer te pennen. Vissers’ luchtledige ruimte impliceert niet alleen een afstandname, wat tot uiting komt in zijn observaties, de luchtledigheid verleent hem ook poëtische ongebondenheid. Jan Vissers kiest dus niet voor een strak eindrijm of metrum. En evenmin voor sterk gekleurde klankpatronen. In zijn ‘vacuüm’ heersen sterke beeldconcentraties die gekoppeld zijn aan ervaringen en observaties in zijn onmiddellijke omgeving.
Jan Vissers heeft gekozen voor een losse structuur. De gedichten zijn niet verankerd in cycli, maar volgen elkaar losjes op. Dit weerspiegelt Vissers’ poëtisch instrumentarium. In het gedicht ‘Sneeuw’ bijvoorbeeld, staat het lyrische ik mijmerend uit het raam te staren.
[…]
En ik zag het egale dek
op de daken van de schuurtjes in de tuinen
en de auto’s onder het lamplicht
op de in zichzelf gekeerde straten.
Het is jammer dat ik niet gelukkig ben,
dacht ik, want het is prachtig.
De Nederlandse dichter richt zich volledig op het winterse beeld. Rijm, metrum en klankkleur zijn welhaast bij toeval aanwezig. De beeldconcentratie domineert het gedicht. Jan Vissers voegt als pointe een universele gedachte toe. De observator die de pracht ziet maar er niet van kan genieten.
Dit tekort loopt als een rode draad door de gedichten heen. In ‘Familie’ gaan de kinderen het huis uit. De ontworteling die de kinderen doormaken, maken ook hun ouders door: ‘Zodra de kinderen het huis uit zijn, / verlaten de ouders de stad, / zodat ook zij nergens een thuis hebben.’
De weltschmerz is aanwezig in het ‘schijnsel van een laatste sigaret’ en in ‘regen die zich vestigt op autodaken’. De hond kan het niet veel schelen: ‘De hond verlegt zijn staart / niet meer tevreden dan net.’
De onopgesmukte lyriek van Jan Vissers mondt af en toe uit in parlandopoëzie:
[…]
‘s Avonds in bed overzag de kolonel de dag
en keek naar zijn tenen die onder het dekbed
uit kwamen en hij keek naar zijn vrouw
die al sliep, hij zuchtte en deed het licht uit.
[…]
Dit gedicht, ‘De kolonel komt thuis’ verhaalt een belevenis van de kolonel op een strak georganiseerde receptie. Ondanks zijn schitterende uniform, het witte damast en het zilveren bestek, is de receptie niet zonder gebreken. De tafelpoot breekt en zorgt ervoor dat het zilverbestek en een ‘keur van hapjes uit het verre land’ letterlijk in het water vallen. Dit zorgt uiteraard voor consternatie bij de aanwezige neurotici. De barst in het idyllische tafereel bezorgt de kolonel slapeloosheid. Zijn echtgenote, welhaast vertrouwd met het fenomeen, slaat sussend haar arm rond hem. Kortom, de kolonel is ook maar een mens. Zilverbestek, een schitterend uniform en wit damast vormen geen garanties tegen de kleine grilligheden, imperfecties en toevalligheden van het leven.
De anekdotische vertelstijl van Jan Vissers laat weinig ruimte voor klankexpressie en ritmiek. Vissers deelt het parlandogedicht netjes op in negen kwatrijnen, maar daar blijft het bij. De weltschmerz van de kolonel verleidt Jan Vissers niet tot woordspelletjes of een experimentele exploratie van het poëtisch instrumentarium.
Dit is meteen ook de kracht én de achillespees van Vanuit het vacuüm. Jan Vissers is een goede observator die over de nodige maturiteit beschikt om zijn observaties de nodige universaliteit mee te geven. Zijn ‘vacuüm’ is een herkenbare wereld, ook al dist hij af en toe beelden op die de lezer net wel in het ‘luchtledige’ laten.
Het lichte absurdisme dat in sommige gedichten de kop opsteekt, relativeert de weltschmerz. Ook al maakt de onopgesmukte lyriek Vanuit het vacuüm toegankelijk voor een breed publiek, ik hoop terdege dat Jan Vissers zich bij het schrijven van een tweede bundel laat verleiden tot een meer diepgaande exploratie van het poëtisch instrumentarium. Klankkleur en ritmiek kunnen zijn poëtische bespiegelingen enkel sterker maken.
Jan Vissers
Vanuit het vacuüm
Voetnoot, Antwerpen, 2010
48 p./ € 15

Het lawaai der dichters
Remco Ekkers
Wat doen we met de dichters? Hoe is het mogelijk dat ze nog bestaan? Is het lawaai dat ze maken in de steden, op de podia, een laatste wanhopig signaal van hun verdwijnen? K. Michel vergelijkt ze – zonder lawaai – met evolutionaire resten als lichaamsbeharing, blindedarm of staartbeentjes. Dat gebeurt in een gedicht waarin hij zich afvraagt waarom de dolfijn longen heeft. Wat is het voordeel?
misschien [...]
dat het de dolfijn in staat stelt van tijd
tot tijd aan de oppervlakte te komen
boven het water uit te springen
en een blik te werpen op de blauwe
of sterren- of wolkenlucht
en de kust
De longen zijn er vanwege het heimwee, de schoonheid, de waarneming, het raadsel. Geldt dat ook niet voor dichters en natuurlijk voor ons allemaal?
De mystieke Engelse schrijver Powys, die Vestdijk zo bewonderde, schreef in The Art of happiness over de sprong van de vis uit het water, als een beeld van het zich losmaken uit alledaagse beslommeringen. De verrukking even te verkeren in een ander element vindt de lezer bij Michels dolfijn. Hij werpt niet alleen een blik op de blauwe lucht of de wolkenlucht maar verder, hoger, op de sterrenlucht. En dan volgt heel realistisch – en het klinkt bijna als een waarschuwing – ‘en de kust’, want we moeten op het land toch leven.
Michel is een dichter die zich voortdurend dingen afvraagt en die vragen op een eenvoudige en toch pregnante manier opschrijft. Hij wil spelen met woorden, niet theoretiseren. Soms speelt hij als een volwassen krantenlezer, soms als een kind. Het brein doet zijn werk en je bent er zelf verbaasd over wat je allemaal denkt en ervaart. Je ligt bijvoorbeeld in een tent te dromen over wat je de afgelopen avond en nacht hebt gedaan. Even voor je wakker schrikt, zakt de tent in elkaar en lig je te worstelen met de plooien. Waarover droomde je? Over de voorbije gebeurtenissen, maar ook over de mythologische raadsels die je boven je zag: ‘de sterren waren schelpjes / op de rug van een enorme droomslome walvis.’ Het neologisme past met zijn vertragende uitspraak mooi bij het mythologische dier. De onverteerde resten van droombeelden zou je kunnen vergelijken met een uilenbal. In de loop van de dag pluis je die uit elkaar of je laat hem intact en bergt hem op in een gedicht.
In Groningen haalde Michel zijn kandidaats filosofie. De studie rondde hij af in Amsterdam. Resten van het wonen in Groningen vind je terug in bepaalde woorden (‘ommelanden’) en het gebruik van het tussenwerpsel ‘ja’. Hij verrast ook met een regel uit de Friese vertaling van de vondst van Henriette Roland Holst: ‘Begearte hat ús beroerd’.
Veel gedichten zijn geschreven in korte regels, zonder hoofdletters, zonder interpunctie. Af en toe verschijnt er toch een hoofdletter bij het begin van een nieuwe gedachte. Een vaak voorkomende stijlfiguur is de ellips. Er is in het gedicht ‘Tempo Tempi’ in een grachtenpand een recital van klassieke wiegeliederen. Wel dertig baby’s in het publiek. ‘Het speet de pianist dat de sopraan / wegens ochtendziekte helaas / Met applaus werd de invalster begroet’. Wat zou je zo’n mededeling ook afmaken? Het is wel duidelijk. Wat niet duidelijk is voor de ik, is het reële karakter van het gebeuren. Hij ervoer het als een droom, dwaalde tijdens de uitvoering van de muziek in gedachten rond, ontving beelden van een wolk meeuwen boven een kotter, zag ‘dobberende babyhoofdjes’, dacht, als zo vaak, aan boodschappen en drukproeven. De dichter beschrijft het ‘s nachts, na thuiskomst, en realiseert zich dat hij nog steeds wakker moet worden.
Michel schrijft, zoals in eerdere bundels, langere epische gedichten, gedichten over de evolutie, kinderlijk-naïeve gedichten, zoals een douchelied dat ook als een bewegende tekst te zien is op www.digidicht.nl. Een politiek gedicht gaat schuil in een brief aan de vader. Het is opgebouwd uit de clichés van Balkenende. Die wordt niet genoemd, maar het is wel duidelijk. Een prachtige uitsmijter komt van de dichter zelf: ‘Kijk je diep in zijn ogen / Dan zie je dat het rad draait / Maar de hamster is afwezig’.
Wat Michel ook graag doet, is totaal verschillende teksten samplen, zoals een boek over Bommel en de Nederlandse verwanten van Karl Marx en de brieven van de filosoof. In zijn hoofd zit natuurlijk ook Nijhoff en zo begint het met: ‘Marx ging naar Zaltbommel om zijn oom te zien’. De regels worden gescheiden door wit, waarmee duidelijk wordt gemaakt dat ze op zichzelf staan en toch met elkaar te maken krijgen. Er zijn stuitend droge regels, die worden afgewisseld met micheliaans-poëtische regels. ‘De rivier bestaat uit bron- en bergwater. / Als zand en grind drijven de Alpen voorbij.’
Michel wordt geïnspireerd door alledaagse gebeurtenissen, door wat hij ziet op de tv, door berichten uit de krant. Hij vindt, zoals eerder, verwante zielen, dit keer bijvoorbeeld in Colombia (J.J. Escobar (1932), een dichter die bekend werd door zijn tegendraadse en soms absurde visie) en in Nederland (Dick Hillenius, ook zo’n oorspronkelijke waarnemer). Met diens regels en die van Michel kun je kinderen op een gemakkelijke manier aan het dichten zetten: ‘Een spiegel is een waterplas aan een spijker’; ‘De klok telt het ademhalen van de tijd’; ‘Waar jij gezoem hoort hoort een bij een honingroute’.
Kinderen kunnen zo mooi waarnemend denken als ze nog niet verpest zijn door tv-spelletjes of door de door commercie geïnfecteerde cultuurambtenaren. Dan kunnen ze later Michel niet lezen. Joke van Leeuwen, een dichter in al haar werk, constateerde eerder al dat er een schrale populistische wind is gaan waaien over ons culturele landschap. Scholen en pedagogische instellingen lijken er niet meer op uit kinderen op te tillen, nee, zij geven toe aan onmiddellijk vermaak, aan kermisgeschitter, aan de gemakkelijke consumptie van leesvoer. Daarbij worden kinderen stelselmatig onderschat door luie volwassenen. In plaats van kinderen te prikkelen tot enige inspanning, worden ze gepaaid met banale effecten. K. Michel zou hier een vlijmend gedicht over kunnen schrijven.
K. Michel
Bij eb is je eiland groter
Augustus, Amsterdam/Antwerpen, 2010
55 p./ € 17,90

Hyperbolen
Remco Ekkers
Hallucinerende gedichten: is dit een indirect gebruikt bijvoeglijk naamwoord, zoals in ‘een luie stoel’? De stoel is niet lui. Zijn de gedichten hallucinerend of zijn ze geschreven in een staat van hallucinatie? En wat moet de lezer? Ook hallucineren?
Hans Dekkers (Venlo 1954) opent zijn nieuwe bundel Een uil in de zon met het gedicht ‘De Moeders’. Een moeder bekijkt meeuwen en een visdief ‘met voddige staart’ en dan staat er ‘Opgekalefaterd door wind en zilt strekt zij / haar vlerken in de lucht.’ Dat zal de visdief betreffen. Of zijn de armen en handen van de moeder als vlerken? Het gaat zo verder:
Haar zandhanden
zingen koelte in elke porie en een lege, stenen
hemel hikt onder haar kin, waar uit
het strottenhoofd een klank springt
en een onbekende naar haar tepels reikt.
In elk koppel kaatst een beeltenis,
een schaduw die dwars door bossen waaiend
de zomer binnenvlucht. En de tijd wordt aangekaart.
Een moederlijke catastrofe, een gesel.
Zij ademt uit en in en uit, haar rok stottert en uit
haar buik stuiteren vissen die schubben verliezen.
De visdief heeft volgens ornithologen een strak getekende gevorkte staart.
Hoe moeten we dit lezen?
Deze moeder zat in een kuil bij reactorcentrum Petten. Daarna komt in hetzelfde gedicht een moeder in Gulpen, in Stavoren, in Bolsward, in Geertruidenberg, in Roermond, in Doodstil. Al deze moeders zijn ‘moeders van de stilte’ en ze zijn allen bang voor de uil.
Bij de Grieken hebben uilen te maken met wijsheid. Het oog van de uil wordt wel vergeleken met de zon. In de Egyptische hiërogliefen symboliseert de uil dood, nacht, kou en in het bijzonder de ondergegane zon op zijn nachtelijke reis. Hij wordt wel de heksenvogel genoemd. Hij ziet in het duister het licht. Het lijkt of Hans Dekkers in zijn gedichten duistere reizen onderneemt om op zoek te gaan naar het licht van de zon.
Het derde en laatste gedicht van de afdeling met de titel van de bundel heet ‘De wedergeboorte’; de laatste regel luidt: ‘Het is het uur van de uil die in de zon vliegt.’
Het zal duidelijk zijn: Dekkers schrijft niet zo maar wat. Hij schreef eerder verhalen, romans, toneel, essays. Zijn metaforiek is zeer eigenzinnig, maar met enig nadenken komt de lezer er af en toe wel uit. Zo herkent hij in de ‘Zwerfkei’ in het gelijknamige gedicht een hyperbool. Het gaat om een jeugdherinnering waarin de ik-figuur, altijd al een waarnemer en beschouwer, een steen tegen zijn hoofd krijgt.
Ik verstop in een zandbak het monsterende ik,
de conquistador. Boven spant
het zwerk van een versleten deken
met een zwerfkei op elke windrichting.
Dan stort een meteoor ÈÈn meter door het heelal.
Ik ren achter mijn broertje het huis in,
mijn tranen rode druppels op het parket.
Moeilijker te volgen is een gedicht als ‘Oeverloos’ waarin een ik-figuur zich probeert te ontworstelen uit de duisternis, op zoek naar het licht, op zoek naar verlichting. Er is sprake van het diamanten voertuig en dat verwijst naar het tantrische boeddhisme. Het Mahayana is de meest esoterische school van de leer van Boeddha in Tibet.
De dichter is religieus ‘angehaucht’. Het wekt dan ook geen verwondering dat hij in het slotgedicht, weer zo’n hallucinerend gedicht, Blake aanhaalt: ‘dat de uil wil dat alles wit is.’
De laatste regel van de bundel is: ‘We verlangen naar een zon die ons opslokt.’
Uit Dekkers’ gedichten blijkt dat hij wil communiceren, dat wil zeggen gemeenschap zoeken met de wereld en zijn oorsprong. Hij herkent de situatie van de zielen in de Limbus. Dat is het voorgeborchte waarin volgens de katholieke leer de zielen van hen die stierven vóór Jezus’ kruisdood en de onnozele kinderen verkeren, als het ware aan de rand van de hemel, niet gestraft, maar ook niet zalig. De zielen moeten daar wachten op de verlossing. Het zou me niet verbazen als de dichter een geheel andere verlossing bedoelt in de gelijknamige afdeling, een die te maken heeft met de aardse liefde. Ik had het al over hyperbolen.
Hans Dekkers
Een uil in de zon
Wereldbibliotheek, Amsterdam, 2010
61 p./ € 15,90





