Mark Insingel (Lier, 1935) schrijft poëzie, romans, essays en hoorspelen. Hij studeerde drie jaar aan het Koninklijk Vlaams Conservatorium te Antwerpen, afdeling toneel en voordrachtkunst, en volgde cursussen Franse taal-en letterkunde aan de Sorbonne in Parijs. Hij behaalde tal van literaire prijzen en zijn werk werd voor een groot deel in het Engels en Duits vertaald. Sinds 2003 is hij lid van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde.
In bijna een halve eeuw heeft Insingel een even gevarieerd als indrukwekkend oeuvre bij elkaar geschreven. In 1963 debuteerde hij als dichter met Drijfhout. Drie jaar daarna verscheen zijn tweede gedichtbundel Een kooi van licht (1966). Dan volgde Perpetuum mobile (1969), Posters (1974), Het is zo niet zo is het (1978), Jij noemt stom wat taal is (1986), In elkanders armen (1990, verzamelde gedichten), De Druiven die te hoog hangen (1994), Gezichten (2000, een bibliofiele casette met losbladige gedichten) en Niets (2005). Ondertussen schreef Insingel ook romans. In 1966 verscheen Een getergde jager, een verzameling verhalen en voorloper van zijn debuutroman Spiegelingen (1968) die de Tweejaarlijkse Prijs van De Vlaamse Gids in de wacht sleepte. Zijn meest recente roman Hoe hij rolt verscheen in 2004 en werd genomineerd voor de Librisprijs. Midden jaren zeventig schreef hij het hoorspel Wanneer een dame een heer de hand drukt. In 1981 bundelde hij zijn essays over het verband van het talige met het visuele en muzikale kunstwerk in Woorden zijn oorden.
Insingel debuteerde in de jaren zestig, de bloeitijd van de experimentele literatuur. Zijn gedichtenbundel Perpetuum mobile (1969) wordt beschouwd als de eerste bundel concrete poëzie in het Nederlands. Modellen en Posters liggen in deze zelfde lijn. Met zijn concrete gedichten nam hij deel aan internationale tentoonstellingen in Amsterdam, Neurenberg, Stuttgart, Liverpool en Oxford.
Na zijn concrete poëzie gaat hij een zowel vormelijke als inhoudelijk uitgepuurde poëzie schrijven, opgebouw rond zorgvuldige spiegelstructuren en herhalingen. De formuleringen zijn beknopt, de woorden zorgvuldig gekozen, de taal ontdaan van alle franjes. Zijn verzen leunen bijgevolg dicht aan bij de 'poësie pure' van een Paul Van Ostaijen.
Twee jaar na Niets, verschijnt Iets (2007), een bundel die niet alleen qua titel sterk lijkt op zijn voorganger, maar er ook qua thematiek bij aansluit. Beide bundels bestaan uit liefdesgedichten waarin Insingel voor de verlatenheid van 'niets' en het verlangen naar 'iets' woorden en een ritme zoekt. In zijn jongste twee bundels zoekt hij naar het ongrijpbare van de liefde, naar haar waarom. Insingel:
'Het iets dat niets is, het niets dat iets is - de liefde zoals ze onmogelijk wordt als ze absoluut wil zijn, zoals ze slechts zichzelf wordt in dit absolute. En wie is uiteindelijk de minnaar, wie is de geliefde?'
In deze twee bundels spelen, zoals in zijn vroeger werk, vorm en bladspiegel nog steeds een belangrijke rol. In Niets en Iets regeert de strak geometrische vorm die het gevolg is van een uitgepuurde inhoud. Het verschil met zijn vroeger werk is echter dat Insingel persoonlijker is geworden. Een langzame, ontwikkeling bracht hem midden de jaren negentig tot een confrontatie met zichzelf in zijn literair werk. Een confrontatie die hij tot dan toe altijd bewust had vermeden. |