logo
 
*** Dichter van de Maand: Paul Snoek ***

Paul snoek
Paul Snoek zoals afgebeeld
op de cover van zijn bundel
Gedrichten (1971)

Daar ga ik mij nu mee doodrijden’, waren de laatste woorden van Paul Snoek. In de vooravond van 19 oktober 1981 was hij naar de dichter Walter Haesaert gereden om hem zijn nieuwe auto te laten zien, een Alfa Romeo. Haesaert was niet thuis, maar zijn vrouw Mieke Herman wel. Snoek schepte uitbundig op over de prestaties van de Alfa Romeo. Herman vroeg hem toen hij op het punt stond te vertrekken om voorzichtig te zijn. Hij klopte op het dak van de wagen en sprak bovenstaande woorden. Even later reed hij zich op de provinciale weg nr. 71, richting Brugge, met een zeer hoge snelheid te pletter tegen een grijpkraanwagen. Als hij in leven zou zijn gebleven zou hij nu 75 zijn geweest.

Paul Snoek zag als Edmond André Coralie Schietekat op 17 december 1933 in Sint-Niklaas het levenslicht als eerste kind van textielfabrikant Omer William Schietekat en Paula Sylvia Snoeck. Al op jonge leeftijd begon hij te schilderen. Hij zou altijd beeldend actief blijven. Later vervaardigde hij de zogenaamde snoekquariums, die in binnen- en buitenland werden tentoongesteld. Snoek had meerdere solotentoonstellingen, onder meer in het Brusselse avant-gardecentrum Taptoe en in de door Adriaan Raemdonck bestierde Galerie De Zwarte Panter in Antwerpen. Op de themastand worden o.a. een aantal originele affiches getoond van tentoonstellingen in De Zwarte Panter.

Het bekendst is het dubbeltalent echter geworden en gebleven als dichter. Hij volgde secundair onderwijs in het Sint-Lievenscollege in Antwerpen en het Sint-Jozef-Klein-Seminarie in zijn geboorteplaats. Daar had hij in de poësis les van Anton van Wilderode die veel van zijn studenten liefde voor poëzie bij wist te brengen. Ook de jonge Schietekat. Die begint in die periode zijn eerste verzen te schrijven. Een aantal van die vroege gedichten verscheen in Dietsche Warande & Belfort, in Nieuwe Stemmen en in De Tafelronde. Een van de redacteuren van laatstgenoemd blad was Adriaan De Roover.

Leerde Snoek de klassieke poëzie kennen van Van Wilderode, De Roover initieerde hem in de moderne. De ondertussen hoogbejaarde De Roover heeft nog een exemplaar van Snoeks debuutbundel Archipelin de kast met daarin de handgeschreven opdracht  ‘Adriaan, Als u er niet geweest was had ik nooit bestaan, gedagtekend 26.XI.1954.’
De Roover vond het indrukwekkend hoe snel Snoek zich vertrouwd maakte met de nieuwe poëzie. Terwijl De Roover er zich over verbaasde hoe ongelooflijk snel Snoek zich aanpaste aan de mogelijkheden van de nieuwe poëzie, zat hem ook diens opportunisme dwars. De Roover brak met Snoek toen die hem zonder te verpinken vertelde dat hij drié partijkaarten (van christen-democraten, socialisten én liberalen) had én dat hij met de communistische jongeren naar Georgië was geweest.
Snoek ontwierp zelf de omslag van zijn debuutbundel, Archipel. Hij tekende sowieso erg veel, ook in zijn manuscripten. Na zijn middelbaar onderwijs studeerde hij enige tijd rechten in Gent, maar hij was toch vooral creatief in de weer. Samen met o.a., Gust Gils en Hugues C. Pernath stichtte hij in 1955 het literaire tijdschrift Gard Sivik.

In 1957 moest hij onder de wapenen. In dienst had hij geregeld contact met Hugues C. Pernath, die beroepsmilitair was. Een en ander resulteerde later in de bundel Soldatenbrieven. Toen hij uit militaire dienst kwam begon Snoek te werken in het bedrijf van zijn vader. De Weverij Schietekat fabriceerde sjaaltjes. In die periode woonde hij in Antwerpen, in een kleine flat boven café De Duifkens  (zie foto) aan de Graanmarkt. Hij frequenteerde de zaak met graagte, en begon er vele artistieke vriendschappen. Café De Duifkens bestaat overigens, in nauwelijks gewijzigde vorm, nog steeds. Snoek zette met veel bravoure het literaire wereldje op stelten door een aantal gezaghebbende critici af te doen als ‘konijnenboeren’ en ‘leuteraars’. Bescheiden was hij niet. In 1959 was hij in een interview stellig: ‘Onder de naoorlogse Vlaamse dichters zijn er drie van formaat: Hugues Pernath, Hugo Claus en ik. Ik ben de grootste.’

In de zestiger jaren schreef hij ook proza en ook het boeiende essay De waarheid van de dichter, waarin hij zijn poetica toelichtte. Er verschenen regelmatig bundels van zijn hand, die gunstig ontvangen werden. Hij ontwikkelde zich tot een van de gevestigde waarden in de letteren. Hij werd onder meer bekroond met de Driejaarlijkse Staatsprijs voor Poëzie (1969) en de Jan Campertprijs (1971). Daarnaast bleef hij ook zakelijk actief. In 1963 stichtte hij de firma Schietekat Handelsmaatschappij NV waarmee hij commercieel buitengewoon succesvol was. Hij was ondertussen getrouwd met Mylène Vereecke. In 1963 kwam de tweeling Jan en Paul ter wereld.

Halverwege de jaren zestig hield hij het voor bekeken in het familiebedrijf, en kocht hij zich in in een paalfunderingsbedrijf. Dat zakenavontuur verliep niet bijster geslaagd, en hij moest uiteindelijk vertrekken bij de firma. Er ontstonden ook moeilijkheden in zijn huwelijk. Hij verliet zijn gezin om samen te gaan wonen met Martine Laroye. In de zeventiger jaren was Snoek actiever als beeldend kunstenaar dan als letterkundige. Toch verschenen er geregeld bundels van zijn hand, bij reguliere uitgeverijen en in eigen beheer. Een van de hoofdthema’s in zijn poëzie is de liefde. Snoek heeft heel wat invloed uitgeoefend op jongere dichters, en bakende zich een volstrekt eigen terrein in de moderne poëzie af.

Hij stelde in de zeventiger jaren dikwijls tentoon, ook omdat hij geld wilde verdienen met de verkoop van zijn kunst, maar dat vlotte niet altijd goed. Hij ondernam van alles om aan de kost te komen. Zo was hij antiquair, copywriter en sportjournalist. Als meubelverkoper in het Midden-Oosten was hij kort voor zijn dood redelijk succesvol. Hij verdiende toen alleszins dusdanig goed dat hij een nieuwe auto kon bestellen. De Alfa Romeo waarmee hij zijn laatste rit zou aanvangen….

Een overzicht van de dichtbundels van Paul Snoek:

Archipel (1954), Noodbrug (1955), Aardrijkskunde (1956), Tussen vel en vlees (1956), Ik rook een vredespijp (1956), De heilige gedichten (1959), Hercules (1960), Richelieu (1961), Renaissance (1963), Nostradamus (1963), Op de grens van land en zee (1963), Zwarte muze (1967), Gedichten 1954-1968 (1969), Gedichten voor Maria Magdalena (1971), Gedrichten (1971), Frankenstein. Nagelaten gedrichten (1973), Ik heb vannacht de liefde uitgevonden (1973), Welkom in mijn onderwereld (1978), De zangen van Lesbos (1981), Schildersverdriet (1982), Verzamelde gedichten (1982)

Het documentatiecentrum richt een themastand in en bezoekers krijgen een gratis informatiefolder.

Met dank aan Adriaan Raemdonck van Galerie De Zwarte Panter die een aantal affiches in bruikleen gaf.

Meer informatie over Paul Snoek:

Welke bundels van Paul Snoek hebben we in de collectie? Klik hier voor de catalogus.

Het VRT-archief bevat een aantal interessante documentaires over Paul Snoek:
voor het programma Vergeet niet te lezen (1971) interviewt Paul de Wispelaere zijn collega-schrijver Paul Snoek. Klik hier.
Paul Snoek overleed op 19 oktober 1981. Naar aanleiding van de herdenking van zijn dood, zond de toenmalige BRT een portret uit van de dichter, met o.a. een lang interview met Snoek-kenner Herwig Leus. Klik hier.
De man in de reus. In deze documentaire reconstrueerde Canvas het leven en het werk van Paul Snoek aan de hand van privé-videobeelden, interviews en archiefmateriaal. Klik hier.


De Bibliografie voor Taal- en Literatuurwetenschap (BNTL) bevat referenties van Nederlandse, Vlaamse en buitenlandse titels van publicaties over Nederlandse taal- en letterkunde uit de periode 1940 tot nu. Paul Snoek levert meer dan 10.000 hits op. Een aanzienlijk aantal van de publicaties waarnaar verwezen wordt, vind je in het documentatiecentrum van het Poëziecentrum.