Dichters
Paul Snoek (1933-1981) stond bekend als een ontstuimig en compromisloos dichter. Aanvankelijk schreef hij experimentele en surrealistische poëzie, wat zich onder andere manifesteerde in het doorbreken van grammaticale regels en het benadrukken van het irrationele. Later schreef hij meer romantische en lyrische verzen, zoals in zijn laatste bundel Schildersverdriet (1982), die enkele maanden na zijn dood verscheen. Naast dichter was Snoek ook redactielid van het Nieuw Vlaams Tijdschrift en medeoprichter van het avant-gardetijdschrift Gard Sivik. Zijn werk werd meermaals bekroond, onder meer met de Driejaarlijkse Staatsprijs voor Poëzie in 1968.
Voorgevel Poëziecentrum (Vrijdagmarkt)
Benno Barnard (1954) is de zoon van de dichter Guillaume van der Graft. In 1976 ruilde hij zijn geboorteland Nederland in voor een stek in Antwerpen. Hij schrijft zowel proza, poëzie, toneel als essays. Hij streeft naar een kunst ‘als een ordening die de werkelijkheid niet biedt’. Als dichter stapte hij af van gecondenseerde teksten. Hij schrijft nu eerder langere, bijna episch aandoende anekdotische gedichten vol verbeelding. Hoewel klank en woordkeuze esthetisch blijven, verlaat Barnard het pad van de taalvirtuositeit en schrijft hij meer verhalende gedichten.
PLASTISCHE VORMGEVING DOOR Liliane Vertessen.
Binnentuin Ryhovesteen (ook leesbaar vanuit Werregarensteeg)
Roel Richelieu van Londersele (1952) gaf tien jaar lang het literaire tijdschrift Koebel uit, waarin nagenoeg al zijn belangrijke tijdgenoten debuteerden. Zijn eerste dichtbundel, Marie Sans Toilette, verscheen in 1973. Al van bij dit debuut wordt zijn werk gerekend tot de neoromantiek. Nadien volgden diverse dichtbundels en romans. Zijn poëzie werd in de loop der jaren toegankelijker, vol scherpe en trefzekere formuleringen. Van Londersele ontving onder meer de literatuurprijs van de stad Gent (1991) en de Louis Paul Boonprijs (1992). In 2003 werd hij officieel benoemd tot eerste Gentse stadsdichter.
PLASTISCHE VORMGEVING DOOR MaRf.
Plantenbak vóór Lakenhalle
Willie Verhegghe (1947) schrijft wars van alle nieuwe trends poëzie waarin zijn engagement en maatschappijkritiek luid doorklinken. Of het nu gaat om gedichten over mentaal gehandicapten (De Zwarte Flesch, 1990), over wielersport (Renners sterven niet, 2004), over de mijnramp van Marcinelle of over oorlog (Ode To Owen/Ode aan Owen, 2000), het resultaat is tegelijk krachtig en opstandig, hard en ontroerend, en onverbloemd eerlijk. Verhegghe schrijft opzettelijk gedichten in een niet poëtische taal: hij zoekt niet het mooie woord, wel de duidelijke zegging. Hij probeert in een verstaanbare taal eenvoudige poëzie te schrijven voor eenvoudige mensen.
PLASTISCHE VORMGEVING DOOR Camiel Van Breedam.
Gravensteen (tegenover de kassa)
Paul van Ostaijen (1896 -1928) is als theoreticus, dichter en schrijver de centrale figuur van het Vlaamse modernisme. Van Ostaijen stond open voor alle nieuwe buitenlandse kunststromingen en integreerde ze in zijn werk. In 1916 debuteerde hij met de bundel Music-Hall. In Bezette stad (1921) schept hij met typografische elementen een zeer dynamisch, onrustig poëtisch beeld waarin wanhoop, angst en eenzaamheid de stemming bepalen. Zijn invloed bleef eerst beperkt tot de kring van de Vlaamse expressionisten, maar na de Tweede Wereldoorlog werd zijn grootsheid door de Vijftigers erkend. Nu geldt hij als een van de meest opmerkelijke dichters van de Nederlandstalige poëzie. Tijdens het cultuurgebeuren ‘Antwerpen 93’ was hij zelfs heel even de allereerste Antwerpse stadsdichter. In 2001 verscheen nog een foliant van ruim 1300 pagina’s over zijn invloed op de Vlaamse dichtkunst.
Kaaimuren Gras- en Korenlei
Hugo Claus (1929-2008) is een van de belangrijkste naoorlogse auteurs in Vlaanderen en Nederland en werd in het Nederlandse taalgebied ook met het grootste aantal prijzen onderscheiden. Gedurende zijn hele schrijverscarrière sleepte hij meer dan veertig prijzen in de wacht, waaronder de Prijs voor Algemene Culturele Verdienste in 2006. Tot zijn oeuvre behoren poëzie, romans, toneel en filmscenario's. Daarnaast is Claus schilder en film- en toneelregisseur. Hij begon zijn loopbaan als experimenteel dichter, verbonden met de Cobragroep in Parijs en de Vijftigers. Het eerste hoogtepunt, De Oostakkerse gedichten (1955), zet de toon voor het hele werk: de spanning tussen animaal en seksueel vitalisme en een scherpe en erudiete intelligentie die speelt met motieven en citaten uit onder meer de klassieke literatuur. Zijn poëzie is zeer divers: van sociaal geëngageerd via experimenteel en associatief tot zeer persoonlijke liefdeslyriek. In de latere poëzie evolueert Claus in een meer abstracte en postmodernistische richting.
Zijgevel Hotsy Totsy (Oude Houtlei)
Guido Gezelle (1830-1899) wordt beschouwd als de eerste en een van de belangrijkste dichters van de moderne lyriek. Zijn virtuoze taalhantering heeft hem, ondanks de religieus geïnspireerde thematiek, een plaats bezorgd in de avant-gardepoëzie. Gezelles dichterlijke productie omvat twee periodes: de kerkelijk-religieuze poëzie (Kerkhofblommen, 1958), waarin mystiek en romantisch gevoel versmelten met natuurimpressies, wordt gevolgd door sterk persoonlijke lyriek waarin hij zijn godsverlangen en twijfel en zijn liefde voor schoonheid, natuur en poëzie verwoordt (Rijmsnoer, 1897). Het werk van ‘de biddende dichter’ heeft op vele auteurs, onder wie Paul van Ostaijen, een grote invloed uitgeoefend. Naast dichter was hij ook journalist en actief in de Vlaamse Beweging. In 1976 werden de deuren geopend van het Gezellemuseum in Brugge, zijn geboortestad.
Gevel huis hoek Ingelandgat- Watergraafstraat
Maurice Maeterlinck (1862-1949) kwam uit een welgestelde Franssprekende Gentse familie. Na zijn rechtenstudies had hij in Parijs contacten met leden van de symbolistische beweging. In 1895 zou hij zich voorgoed in Frankrijk vestigen. Zijn eerste bundel met symbolistische gedichten, Serres chaudes, verscheen in 1889. Hij werd beroemd met de toneelstukken La princesse Maleine (1889) en Pelléas et Mélisande (1893). In de jaren 1920 lokte zijn stuk L’oiseau bleu (1908) zelfs anderhalf miljoen toeschouwers in de Verenigde Staten. Maeterlincks taal en handeling zijn uiterst eenvoudig en geformaliseerd. Natuurmomenten, melancholische bespiegelingen en mystieke ervaringen vormen de thema's waarvan Maeterlincks oeuvre doordrongen is. Als enige Belg ontving hij in 1911 de Nobelprijs voor literatuur. In de reeks ‘Dichters van nu’ van het Poëziecentrum verscheen een bloemlezing uit zijn werk.
Achtergevel Museum Vanderhaeghen (vanop Ajuinlei)
Gust Gils (1924-2002) beschikte als maatschappijkritisch dichter over een eigen soort humor. Hij was mede-oprichter van het avant-gardetijdschrift Gard Sivik en redacteur van Podium. In 1953 debuteert hij met de dichtbundel Partituur voor Vlinderbloemigen. Mijn plichtvergeten werk (1994) biedt een overzicht van zijn poëzie. Gils is gekend voor eigenzinnige korte prozastukjes, die hij zelf bestempelde als paraproza, een term verwant aan parabool, paranormaal en paranoïa. In 1996 ontving hij de Staatsprijs ter bekroning van zijn schrijversloopbaan.
PLASTISCHE VORMGEVING DOOR Paul Van Gysegem.
Linkernis voorgevel Gerechtshof
Ramsey Nasr (1974), zoon van een Nederlandse moeder en een Palestijnse vader, is acteur, regisseur, dierenrechtenactivist en dichter. Zijn debuut kreeg de naam 27 gedichten en geen lied (2000). Het meest opvallende aan zijn poëzie is de gedrevenheid waarmee ze geschreven is, en de veelzijdigheid van het talent dat er uit spreekt. Hij is een dichter die kan verleiden, maar die ook van het ene op het andere moment bruusk en bot kan zijn. Mede daarom was hij in 2005 stadsdichter van Antwerpen. Zijn tweede bundel Onhandig bloesemend (2005) werd bekroond met de Hugues C. Pernathprijs.
Gevel Opera (Kouter)
Lut de Block (1952) debuteerde in 1984 met de dichtbundel Vader waarvoor ze de Yang poëzieprijs kreeg. Het gedicht dat in de poëzieroute is opgenomen, werd later gepubliceerd in De luwte van het late middaguur (2002). Met haar poëzie evoceert ze een vrouwelijke kijk op het bestaan. Haar werk handelt o.a. over het vrouwzijn, over relaties waarin de vrouw een cruciale rol speelt, over een vrouwelijke stem die zich in de schemerzone tussen jeugd en ouderdom bevindt. Daarnaast schrijft ze ook proza en stelt ze bloemlezingen samen. In 2001 ontving ze de Prijs voor Letterkunde van de Provincie Oost-Vlaanderen.
Kouter (hoek, kant Zonnestraat)
Miriam Van hee (1952) debuteerde met poëzie die als nieuwromantisch werd gekarakteriseerd omwille van de emotievolle verwoording van verlangen, hoop en desillusie. Nadien versoberde haar werk qua vorm en inhoud. De subjectieve thematiek werd enigszins geobjectiveerd en op een meer symbolisch niveau getild. De dichteres registreert de alledaagse werkelijkheid en berust in tegenslag en vergankelijkheid. In 1998 ontving ze de Driejaarlijkse Cultuurprijs van de Vlaamse Gemeenschap. De Bramenpluk uit 2002 bevestigt deze bekroning.
Voorgevel Minardschouwburg
Stefan Hertmans (1951) wordt beschouwd als een van de meest toonaangevende en erudiete hedendaagse Vlaamse auteurs. In zijn postmodernistisch werk onderzoekt hij enerzijds de spanning tussen het alledaagse en het concrete en anderzijds tussen het absolute en het abstracte. Centraal staan de overgangen tussen beweging en verstilling, het ik en de ander, de stad en het platteland. Naast poëzie schrijft hij ook romans, toneelstukken, essays en reisverhalen. Hertmans, wiens werk meermaals bekroond werd, blijft waardering oogsten met bundels als Vuurwerk, zei ze (2003) en Kaneelvingers (2005).
Zijgevel Vooruit - Rectoraat
Karel van de Woestijne (1878-1929) was de belangrijkste Vlaamse dichter van het begin van de 20ste eeuw. Als medewerker van Van Nu en Straks bracht hij een belangrijke vernieuwing in de Vlaamse literatuur teweeg. Zijn werk is een getuigenis van het smartelijke en onverzoenlijke conflict tussen ziel en zinnen. Hij noemde zijn poëzie een 'symbolistische autobiografie': elke bundel vertegenwoordigt een fase uit zijn geestelijke ontwikkeling. In zijn werk komt Van de Woestijne als gevoelig renaissancedichter en soepel woordkunstenaar tot uiting. De Gentse schrijver kende twee hoofdperiodes. De eerste en langstdurende begint met Het Vaderhuis (1903), zijn debuut. Deze poëzie is impressionistisch, sensualistisch en doortrokken van een decadent ondergangsbesef. De symbolen zijn ontleend aan de natuur, de taal is barok. In de tweede periode wordt de vorm sober en klassiek en zijn de symbolen abstract, haast hermetisch.
Links van de ingang Bibliotheek Universiteit Gent (Rozier)
Marcel van Maele (1931) schrijft poëzie, proza en toneel. In 1956 debuteerde hij met Soetja. Meer dan 25 bundels later herkent men nog steeds dezelfde thematiek in zijn werk: het conflict tussen de absolute individuele vrijheid en de druk van maatschappij en realiteit, die de vrijheid beperken. Van Maele ziet de kunst als een middel tot bewustzijnsverandering. Hij probeert dat doel te bereiken door de constructie van een taal die de prelogische vermogens wil aanspreken en door de destructie van vertrouwde, logische denkpatronen. Als kunstenaar verkent Van Maele het niemandsland tussen literatuur en plastische kunsten. Zo bottelde hij in 1972 gedichten in flessen, wat hij in 2002 herhaalde met duizend bierflesjes.
PLASTISCHE VORMGEVING DOOR Marcel van Maele.
Rechts van de trap die leidt van het St.-Pietersplein naar de St.-Amandstraat
Remco Campert (°1929) debuteerde al op 22-jarige leeftijd. Door vele omzwervingen langs Europese metropolen kwam hij al vroeg in contact met enkele coryfeeën van de Vijftigers: Lucebert en Schierbeek. Doordat Campert na verloop van tijd zijn aandacht ging richten op de werkelijkheid, sloot zijn poëzie in de jaren 1960 meer aan bij het neorealisme. Op zijn actief staan ruim 25 dichtbundels en minstens evenveel verhalenbundels. In de jaren 1970 ontpopte de veelschrijver zich bovendien tot een gedreven columnist. Thema’s die onwrikbaar met Camperts oeuvre worden verbonden, zijn de onvoorwaardelijke liefde van de dichter voor jazz en zijn jeugdjaren. In recent werk jongleert hij met melancholie, lichtheid, zelfspot en vooral met het uitstellen van het leven. Op zijn palmares staat naast de P.C. Hooftprijs (1976) ook de naar zijn vader genoemde Jan Campertprijs (1956).
Gevel Geuzenhuis (Kantienberg)
Hugues C. Pernath (1931-1975) behoort tot de tweede generatie experimentele dichters in Vlaanderen. Reeds tijdens zijn leven genoot hij een onmiskenbaar literair prestige. Hij stond ook bekend als ‘Gouverneur’ van het aristocratische en dandyeske Pink Poet-genootschap. Pernaths vaak hermetische poëzie wordt gekenmerkt door een grote soberheid en een grondig pessimisme. Eenzaamheid, liefde, verraad en een voortdurend lijden aan het leven bepalen de toon van zijn poëzie. Naar de dichter is een fonds genoemd, dat de nagedachtenis van deze Antwerpse cultfiguur in ere wil houden. De prestigieuze Pernath-prijs is daar het resultaat van.
Muur kazerne (hoek Kunstlaan-Kattenberg)
Roland Jooris (1936) schreef aanvankelijk postexperimentele poëzie. Aan het eind van de jaren zestig, na een stilte van ongeveer tien jaar, gold hij samen met Herman De Coninck als de belangrijkste vertegenwoordiger van het Vlaamse neorealisme, met gedichten die getuigen van een opmerkelijk waarnemingsvermogen en een sterk plastische oriëntering. Veel van zijn poëzie handelt over beeldende kunst. Nadien ontwikkelde Roland Jooris een meer onthecht dichterschap. Niet meer de waarneming en de werkelijkheid vormen het centrum, maar de taal, de stilte en de leegte. Voor zijn bundel Gekras (2001) ontving Jooris de driejaarlijkse Prijs van de Vlaamse Gemeenschap voor Poëzie in 2004.
Café SMAK (ingang buiten)





